De sportvliegerij is een aspect van vrije tijd en recreatie; met name het zweefvliegen werd populair. Foto: Nederlands Openluchtmuseum

Vrije tijd en recreatie

Tot 1900 was vrije tijd voorbehouden aan de maatschappelijke bovenlaag van de bevolking. In de 20e eeuw nam de welvaart toe en kregen mensen wettelijk geregelde vrije dagen, vakanties en zelfs vakantiegeld. Zeker tot de jaren 1960 werden vrije tijd en vakanties voornamelijk in eigen land doorgebracht, vaak ook gewoon in de eigen omgeving. Men maakte vooral dagreisjes per trein en tram, later ook per fiets, auto, bus en motorfiets en, in de jaren 1950 en '60 van de vorige eeuw, ook op de brommer.

Als gezonde, betaalbare en meerdaagse vakantie kwam in de eerste helft van de twintigste eeuw het kamperen in eigen land op, aanvankelijk vooral bij welgestelde burgers. Deze trend zette zich na de Tweede Wereldoorlog krachtig door in alle lagen van de samenleving, waardoor in de laatste vijftig jaar het aantal campings sterk groeide.

Daarnaast hangt de toename van het aantal campings samen met de stormachtige groei van het aantal caravans in de jaren 1960 en '70, van ongeveer 10.000 exemplaren eind jaren 1950 tot zo’n 500.000 twintig jaar later. Ons land is sindsdien koploper gebleven als caravanland, terwijl ook de zogenaamde 'camper' snel populair werd.
Voor de meer verwende toerist werd het 'bungalowpark' ontwikkeld. En tussen het kamperen en de bungalow in vinden we nog de stacaravan, een fenomeen dat na de Tweede Wereldoorlog eveneens een grote vlucht nam.

Wat mobiliteit betreft leidde de toegenomen hoeveelheid vrije tijd niet alleen tot recreatief rijden, maar ook tot de watersport. En zelfs in de lucht kwam recreatie. Vanaf de jaren 1930 werden zowel motorvliegtuigen als zweefvliegtuigen voor actieve luchtsportbeoefening gebouwd.

Vooral de zweefvliegsport heeft in de tweede helft van de vorige eeuw een zeer snelle ontwikkeling doorgemaakt; de beoefening hiervan is natuurlijk relatief goedkoper dan het gemotoriseerde sportvliegtuigen.
De zweefvliegsport werd direct na de oorlog ook gestimuleerd en actief ondersteund door de overheid. Met financiële steun werden bij Fokker zweefvliegtuigen gebouwd voor diverse zweefvliegclubs. Deze clubs kregen de taak om jongelui de beginselen van het vliegen bij te brengen. Aldus kwam er een kweekvijver voor de opleiding tot militair vlieger of piloot in de burgerluchtvaart. De samenwerking tussen de rijksoverheid en de zweefvliegclubs is voor beide een vruchtbare periode geweest. Vanaf is 1952 was het Nationale Zweefvliegcentrum Terlet bij Arnhem hier nauw bij betrokken.
Na de jaren van wederopbouw waren de zweefvliegclubs steeds meer in staat om zelf zweefvliegtuigen aan te schaffen en naast de clubs is het particuliere bezit van zweefvliegtuigen snel toegenomen. Ook de tijd vliegt!

Recreatie en toerisme zijn niet meer weg te denken aspecten van onze cultuur geworden, niet alleen weggelegd voor de maatschappelijke bovenlaag maar in hoge mate 'gedemocratiseerd' en vanuit de eigen omgeving steeds meer 'geglobaliseerd'. Vrije tijd en recreatie bepreken zich steeds minder tot de eigen omgeving. Met name de ontwikkeling van de luchtvaart sinds het straalvliegtuig heeft de hele wereld voor grote delen van de bevolking binnen bereik gebracht.

Recreatie en toerisme zijn er voor de ontspanning, maar ze vormen ook 'booming business'. Jaarlijks geven de vrije-tijdsbesteders in ons land voor ruim 70 miljard euro uit, wat zorgt voor 7 % van de totale werkgelegenheid. Het is in honderd jaar tijd een complete bedrijfstak geworden, die tot de snelst groeiende in onze huidige economie wordt gerekend.