Van de zuivelfabriek kwam vroeger de melkboer vrijwel dagelijks 'bij de mensen thuis'. Foto: Nederlands Openluchtmuseum Meerbeeld>

Transport van zuivelproducten

Vroeger werd op de boerderijen met veeteelt de melk op de boerderij zelf verwerkt en werden boter, kaas en andere zuivelproducten door de boer en zijn familie rondgebracht. Eind 19e eeuw kreeg de Industriële Revolutie ook het platteland in z'n greep en volgens de Heerenveensche Courant van die dagen "beginnen de zuivelfabrieken hier als 't ware als paddestoelen te verrijzen".

Dat had grote gevolgen voor het vervoer. Nu moest de boer zorgen dat z'n melk naar de fabriek kwam. Dat deed hij - toen nog in melkbussen- met paard-en-wagen of met de melkschuit. En als een fabriek aan een spoor- of tramlijn lag werden speciale melkwagens ingezet. Omdat melk bederfelijk is, moest deze snel worden verwerkt en kon de afstand naar de fabriek niet al te groot zijn. Zo had in de eerste helft van de 20e eeuw elk dorp z'n eigen melkfabriek; in de steden stonden er vaak veel meer.

Paard en wagen nog lang prominent aanwezig op het platteland, maar na de Tweede Wereldoorlog werd de agrarische sector sterk gemechaniseerd. In het vervoer naar en van de boerenbedrijven werd de rol van het paard overgenomen door tractor en vrachtwagen.
Een ware revolutie werd voorts veroorzaakt door de verbeterde koelsystemen, waardoor de boeren hun melk in melktanks langer konden bewaren. Ook verscheen de gekoelde melktankwagen, waardoor de melk over langere afstanden vervoerd kon worden.

Zo konden zuivelfabrieken meer efficiënt en kostenbesparend werken als ze fuseerden. Dat was ook wel nodig in een tijd waarin steeds meer mensen in de industrie- en dienstensector werkten en in steden gingen wonen, waar ze niet meer voor hun eigen voedsel konden zorgen.

De kleine fabriekjes verdwenen en aan het eind van de 20e eeuw waren er in Nederland nog een paar grote zuivelfabrieken over. En die namen geen melk in melkbussen meer aan; de RMO of 'Rijdende Melk Ontvangst' zorgt er sinds jaar en dag voor, dat de melk per tankwagen gekoeld en wel bij die fabrieken komt. Dat heeft alles bij elkaar voor een enorme schaalvergroting gezorgd, niet alleen in de productie, maar ook in het transport van melk naar de fabriek.

Vanaf de fabriek kwam vroeger de melkboer met z'n zuivelproducten vrijwel dagelijks 'bij de mensen thuis'. Net als de bakker die z'n brood kwam bezorgen en de groenteboer z'n verse waar. Eerst met handkar, bakfiets, paard-en-wagen of met de 'hondenkar', later steeds vaker gemotoriseerd. Een driewielige wagen met op het voorwiel gemonteerde benzinemotor verving de in 1963 uiteindelijk bij wet verboden hondenkar. Deze opvolger werd dan ook toepasselijk 'ijzeren hond' genoemd. Later kwamen er modernere en elektrische varianten, terwijl ook veel mekboeren gewoon een bestelwagen kochten. Koelkast, grootwinkelbedrijf en de eigen auto verdreven de melkboer en daarmee de ijzeren hond.
En zo verdween behalve het kleine fabriekje en de melkbus ook de thuisbezorgende melkboer goeddeels van het zuiveltoneel.

Is het 'thuisbezorgen' daarmee helemaal verdwenen? Zeker niet. De bekende SRV-wagen heeft het als de ultieme vorm van 'ijzeren hond' nog lang volgehouden en hoewel de SRV niet meer bestaat, zien we dergelijke 'rijdende supermarkten' nog steeds in plaatsen waar geen detailhandel (meer) is.

Melk, brood en groente halen we nu nog doorgaans zelf, maar Albert Heijn en veel andere supermarkten bezorgen ook thuis. En dat doet ook de pizzakoerier, als het klaarmaken van eten er 's avonds even bij ingeschoten is. Er zijn zelfs retaildeskundigen, die het thuisbezorgen een nieuwe 'gouden toekomst' voorspellen, als het maar gebeurt op het moment de klant dat wil, en niet als het de aanbieder zo uitkomt.
Al met al blijkt de consument bij al deze ontwikkelingen uiteindelijk beter af te zijn. Beeld>