Stichting Mobiele Collectie Nederland

Landleven, een 'tuinpad'
en mobiel erfgoed

Mobiel erfgoed en het 'Tuinpad van m'n vader'. Het beroemde lied van Wim Sonneveld laat zich beluisteren als een stukje heimwee en nostalgie, maar evenzeer als een weerspiegeling van de revolutionaire veranderingen die zich in de jaren 1950 en '60 op het Nederlandse platteland voltrokken. Mobiliteit speelde daarin een belangrijke rol. De beelden boven en onder van het centrum van Deurne in de jaren 1960 laten zien dat ook op het platteland de auto duidelijk in opmars is; voor de kerk is geen 'kar-met-paard' meer te bekennen.

Op 8, 9 en 10 september j.jl is voor de zevende keer 'Beleef Landleven' georganiseerd, een driedaagse evenement van het magazine Landleven en het Nederlands Openluchtmuseum. Dit jaar is er voor het eerst gekozen voor een thema: 'Het Tuinpad van mijn vader', naar het beroemde lied van Wim Sonneveld. Duidelijk is gemaakt hoe trends van nu hun oorsprong vinden in tradities en gebruiken van toen.

Er was heel wat mobiel erfgoed aanwezig om dit te illustreren! Voor het eerst heeft de stichting Mobiele Collectie Nederland mét de Federatie Historische Automobiel- en Motorfietsclubs FEHAC voor een aantal passende klassiekers gezorgd. Samen met de Oldtimer Caravanclub, de Oude Tractorclub Ewijkse Brug én de Historische Rijwielvereniging De Oude Fiets, die al vaker aan het evenement deelnamen, werd aangetoond hoe belangrijk mobiliteit was in het dagelijks leven op het platteland in de decennia direct na de oorlog. En hoe de mobiliteit van nu nu z'n oorsprong vindt in de revolutionaire ontwikkelingen op het platteland van toen.
En hoe interessant het dus is, het getoonde mobiel erfgoed ook voor de toekomst te bewaren.

Het 'moderne' Deurne uit die tijd vormde de inspiratie voor de tekst van het lied en kon wel model staan voor de rest van het Nederlandse platteland. Bronnen: Ansichtkaarten, Virtueel Mobiliteitsmuseum

'Het Tuinpad van m'n vader' is de beroemdste regel uit 'Het Dorp', dat medio jaren 1960 werd geschreven (uit het Frans hertaald) door de levensgezel van Sonneveld, Friso Wiegersma. Deze werd hiertoe geïnspireerd door wat hij zag als de teloorgang van zijn geboortedorp Deurne (N-B) in de naoorlogse jaren van wederopbouw en welvaart. Een tikje melancholiek dat lied, misschien door de gedachte dat vroeger alles beter was? Vooral in de vooroorlogse jaren, toen Wiegersma zelf nog jong was?

Wat misschien teloorgang was voor de één, zal vooruitgang geweest zijn voor de ander. Maar hoe dat ook zij, het lied laat zich beluisteren als een stukje heimwee en nostalgie, maar evenzeer als een weerspiegeling van de revolutionaire veranderingen die zich in de jaren 1950 en '60 op het Nederlandse platteland voltrokken. Veranderingen in de landbouw, in welvaart en in vrijtijdsbesteding en in het dorpsleven in het algemeen. Veranderingen die voor het overgrote deel van de plattelandsbevolking toentertijd waarschijnlijk als verbeteringen ervaren werden.
Geïnteresseerd als we zijn in mobiel erfgoed, weten we dat die veranderingen in veel gevallen gepaard gingen met een stormachtige ontwikkeling van de mobiliteit.

Van kar-met-paard naar tractor

Sonneveld bezingt in zijn lied een "ansichtkaart, waarop een kerk, een kar-met-paard". Een kar, zo horen wij twee coupletten later, die "ratelt op de keien". En inderdaad blijft paardentractie lang prominent aanwezig op het platteland, maar in de tweede helft van de 20e eeuw werd de agrarische sector sterk gemechaniseerd, vooral door de snelle opmars van de tractor. In de eerste decennia na de oorlog werden (deels dankzij de Marshallhulp) vele duizenden tractoren verkocht; ze werden ook snel groter en krachtiger en ze konden ook steeds meer.

Een kar, die ratelt op de keien... Bron: Ansichtkaart, Virtueel Mobiliteitsmuseum

Zo was aan het eind van de jaren 1960 het paard nagenoeg uit plattelands- en dorpsbeeld verdwenen. Of de keien er toen nog lagen valt niet met zekerheid te zeggen. Wel vond in de naoorlogse periode, mede in het kader van de ruilverkavelingen, op het platteland een zeer grondige uitbreiding en verbetering van de infrastructuur plaats. Een 'zandweg tussen koren door' kon daarbij al snel verdwenen zijn; rechtgetrokken en verhard. De keien misschien onder een laag asfalt weggewerkt.

Een juffrouw op de fiets

Ook de "juffrouw op de fiets" horen we bij Sonneveld voorbij komen. Dat "zegt ons hoogst waarschijnlijk niets", maar wat ons wél wat zegt, is dat die fiets nu juist helemaal niet verdwenen is. Niet uit Deurne, niet van de rest van het platteland en uit de stad al helemaal niet.
Integendeel; reden er in 1950 in ons hele land zo'n vijf miljoen fietsen rond -één op de twee inwoners had een fiets destijds- tegenwoordig zijn er meer fietsen dan inwoners: zo'n 19 miljoen.

Ook kwalitatief is veel veranderd. Hoewel de fiets eind 19e eeuw met de 'safety' al min of meer z'n huidige vorm gevonden had, is door nieuwe lichtgewicht materialen, geavanceerde derailleurs en lichtlopende lagers het fietsen zélf er wel degelijk op vooruitgegaan. En helaas weten we niet of Sonneveld en Wiegersma het hadden kunnen waarderen als die juffrouw tegenwoordig op een E-bike door Deurne had gereden. 'Juffrouw' zou ze in ieder geval niet meer genoemd worden.

Tenten en caravans

Die fiets heeft zeker bijgedragen aan de ontsluiting van het platteland, bijvoorbeeld in toeristische en recreatieve zin. In de 20e eeuw kregen meer en meer mensen steeds meer vrije tijd, eerst in de vorm van vrije dagen, later ook als vakantie én geld om die tijd ook te besteden.
Tot het midden van de twintigste eeuw bleef het toerisme voor de meeste mensen nog beperkt tot het eigen land, waar met trein en tram, fiets, auto, bus en motorfiets, en –in de jaren 1950 en '60– ook op de brommer naar hartenlust gerecreëerd kon worden.

Hoewel vanaf de jaren 1960 ook de buitenlandse vakantie opkwam, bleef het eigen land toch ook populair, met name voor kortere fietsvakanties en -weekends. Als gezonde en betaalbare vakantie was in de eerste helft van de twintigste eeuw het kamperen in eigen land begonnen. De stedeling zocht in de vrije tijd de natuur op (waartoe de gemiddelde stadsbewoner doorgaans ook het platteland rekende) met de fiets en later met de auto of anderszins gemotoriseerd.


Deze trend zette zich na de Tweede Wereldoorlog krachtig door waardoor in de laatste vijftig jaar het aantal kampeerterreinen op het platteland sterk groeide. Daarnaast zien we vooral in de tweede helft van de 20e eeuw een stormachtige groei van het aantal caravans, van ongeveer 10.000 exemplaren eind jaren 1950 tot zo’n half miljoen twintig jaar later.

Arts en auto

Dat de plattelander zélf ook behoefte had aan een goede ontsluiting en dat de invloed van de verbeterde mobiliteit hier groot was, ligt voor de hand. Die behoefte reikte al snel verder dan de fiets. Vanaf vroeg 20e eeuw begon de ANWB er op te wijzen, dat de auto niet alleen een 'speeltje voor de rijken' moest zijn, maar ook functioneel gebruikt moest kunnen worden. In de arts vond de ANWB een aantrekkelijk startpunt om de ontwikkeling van automobilisme voor nuttig gebruik te bepleiten. Een dokter die niet op tijd bij z'n patiënt kon zijn, dat sprak natuurlijk iedereen wel aan.

Toen de artsen zich begonnen te motoriseren was het dan ook deze beroepsgroep, waar naar werd verwezen als de overheid werd gevraagd maatregelen te nemen om aan de toenemende behoefte aan mobiliteit tegemoet te komen en bijvoorbeeld voor de nodige infrastructuur te zorgen.
In Deurne was Hendrik Wiegersma, de vader van Friso en huisarts, in de jaren 1920 de eerste die een auto had. Zijn chauffeur was Hub van Doorne, toen een 'twen' met techniek in z'n vingers en begin jaren 1930 met z'n broer Wim de grondlegger van DAF, onze nationale trots in Eindhoven.
Bron: Wikimedia Commons


De vleugels uitslaan

Vooral na de Tweede Wereldoorlog begonnen ook de beroepsgroepen van agrariërs en andere ondernemers op het platteland het nut van de auto wel in te zien. En net als de artsen zullen ook deze 'zakelijke rijders' op den duur het nuttige wel met het aangename hebben gecombineerd en de auto hebben gebruikt voor vrije tijd en recreatie.
Daarop volgden de overige dorpelingen en plattelandsbewoners, die zich in de jaren 1950 en '60 een auto konden veroorloven en zo in belangrijke mate bijdroegen aan de mobiliteitsexplosie, die in die jaren ook het platteland grondig veranderde.

Was de fiets een uitvinding die de stedeling het platteland deed ontdekken, andersom was het vooral de auto die de dorpeling deed beseffen dat er meer was dan de eigen stee. In de zomer van 2016 besteedde het populaire geschiedenisprogramma op TV 'Andere tijden' onder de titel 'Van doarp en durp' aandacht aan de veranderingen in Het Dorp in die woelige naoorlogse periode.
Begeleid door beelden van een auto die via een moderne asfaltweg een dorp verlaat en door de stem van Adamo die (vanuit de autoradio?) 'Pour moi la vie va commencer' zingt, horen we een dorpeling van toen:

"De mogelijkheden waren toch ook wel beperkt. Toen ik jong was, voelde ik dat niet. Maar later wou je toch wel een beetje verder. Een beetje de vleugels uitslaan."

Zoals altijd bij 'Andere Tijden' eindigt presentator Hans Goedkoop deze aflevering met wijze woorden: "Het leven gaat beginnen. Met de auto het dorp uit. Tot vroeg in de jaren 1960 kon dat bijna niet. Want wie op het dorp had nou een auto? Maar nu kon je weg, naar de stad, of naar een groter dorp, dat nu een supermarkt had. [….] Het dorp bestond nog wel en het bestaat nog steeds, maar die volledig in zichzelf gekeerde wereld, die is weg."

Met de auto het dorp uit.... naar de stad ... of naar een groter dorp, dat nu een supermarkt had. Bronnen: Ansichtkaarten, Virtueel Mobiliteitsmuseum

Goedkoop velt er geen oordeel over en wordt er ook niet melancholiek van. Maar met ons weet hij inmiddels dat zo'n dorp "voorgoed voorbij zou gaan". Inmiddels zijn ook de jaren 1950 en '60 voorgoed voorbij en kunnen we dáár weer naar hartenlust melancholiek over worden. Naar het dorp van die jaren, maar vooral ook naar de klassieke auto en het andere mobiel erfgoed uit die tijd.
Gelukkig is dat nog in ruime mate voorhanden. Nóg wel. Laten we het koesteren, dat erfgoed …

Over de ver Het Nederlands Openluchtmuseum geeft met dergelijke evenementen vorm aan zijn missie: dichter bij de geschiedenis dan ooit. De stichting MCN werkt daar met veel plezier aan mee.

Nadere informatie over 'het 'tuinpad, naoorlogse mobiliteit en mobiel erfgoed': info@mobiel-erfgoed.nl of 0644 978 730.

Laten we het koesteren, het mobiel erfgoed … Foto: Oldtimer Caravan Club

 


TOONBEELDEN VAN MOBIEL ERFGOED


Opel speelde een belangrijke rol in de naoorlogse mobiliteit en werd in 1968 zelfs de meest verkochte auto in ons land.
Bron: Ansichtkaart, Virtueel Mobiliteitsmuseum

Een Opel Olympia uit begin jaren 1950. Uit de zwaar verchroomde gril blijkt de invloed van moederbedrijf General Motors in de VS. Een groot verkoopsucces! Meer>
Foto: Eigenaar

Een volgend succes was de Opel Rekord uit de jaren 1960. Ondanks (of juist dankzij) het burgerlijk imago, dat Opel had. Meer>
Foto: Eigenaar

Naar de onderkant van de markt werd het programma uitgebreid met de Opel Kadett. De eerste versie verscheen in 1962 als Kadett A, ontworpen om de concurrentie met de Volkswagen Kever aan te gaan. Meer>
Foto: Wikimedia Commons

De Opel Blitz A uit de jaren 1950 werd in Nederland razend populair. Dergelijke lichte bedrijfswagens voorzagen in de sterk groeiende transportbehoefte na de Tweede Wereldoorlog en droegen zeker bij aan de definitieve vervanging van de laatste paard-en-wagens door vrachtwagens. Meer>
Foto: Wikimedia Commons

Karren kregen luchtbanden en 'ratelden niet meer op de keien'. Als er dan ook nog een trekker voor stond in plaats van een paard, kon er heel wat meer en sneller 'getrokken' worden, zowel op de weg als op het land. Foto's tractoren: Oude Trekkerclub 'De Ewijkse Brug'

Populaire tractoren uit de jaren 1950, '60, '70 en '80. Een Fendt ...

... een John Deere ...

... een International Harvester ...

... en een Ford.

De opkomst van de fiets kon beginnen, nadat deze met de 'safety' z'n huidige vorm gevonden had. Stedelingen konden het platteland gaan ontdekken. Meer>
Foto: Anton van Daal

Tegenwoordig zijn er meer fietsen dan inwoners, maar op het platteland ligt de fietsdichtheid beduidend lager dan in de stad. Foto: Wikimedia Commons, willem_90

In de loop van de 20e eeuw konden steeds meer mensen er individueel op uit, met eigen fiets, brommer, motorfiets of auto. Foto: Ansichtkaart, Virtueel Mobiliteitsmuseum

En achter die auto een caravan, in de jaren 1950 bijvoorbeeld een Nederlandse Kosmopoliet, met zonder meer een buitenissig design. Meer>
Foto's caravans: Oldtimer Caravan Club

Vanaf de jaren 1960 kon dat ook deze Otten zijn, van een andere Nederlandse caravanbouwer. Meer>

En vanaf de jaren 1970 deze caravan van KIP, de belangrijkste en bekendste caravanbouwer in ons land. Al sinds de jaren 1950 actief bestaat het merk nog steeds, al zijn er tal van 'ups' en 'downs' geweest in de bedrijfsgeschiedenis. Meer>